‘Varen en vechten’ zijn begrippen die vaak in één adem worden genoemd. Een grens van water heeft ons land in het verleden niet alleen veiligheid geboden, maar betekende ook dat de vijand vaak op datzelfde water moest worden bevochten. 

De strijd op het water speelde al in de Middeleeuwen een rol, maar werd vanaf de tweede helft van de 16de eeuw steeds grootschaliger en beter georganiseerd. Behalve machtshonger en gebiedsuitbreiding vormde ook de bescherming van handel en visserij een belangrijke aanleiding tot zeegevechten. Met een uitgebreid en moeilijk te controleren zeeareaal was dat voor Nederland niet altijd een gemakkelijke opgave. Het varen en vechten vond steeds verder van het eigen grondgebied plaats, bijvoorbeeld in de omgeving van de koloniën. Zolang de VOC krachtig genoeg was, voerde zij beide taken uit. Het zeegevecht echter werd overal ter wereld steeds meer aan professionele, goedgeorganiseerde marines overgelaten. Vanaf het einde van de achttiende eeuw werden in Aziatische en West-Indische wateren Nederlandse marineschepen ingezet. Tot in de Tweede Wereldoorlog hield de Nederlandse vloot zich hoofdzakelijk bezig met de bescherming van Nederlands-Indië tegen vijandelijke aanvallen.