De uitdrukking ‘de vis wordt duur betaald’ is eigenlijk van alle tijden. Het water is zowel gevaarlijk als een bron van inkomsten. Voor vissers, zoutwinning of strandjutters, maar denk ook aan bergers, de olie- en gasindustrie of de windparken op zee.

Voor de bewoners van de Lage Landen is de visserij altijd een belangrijke bedrijfstak geweest. Niet zelden kwamen vissers in aanraking met de gevaren van het water. Hoewel armoede en uitbuiting deel uitmaakten van het vissersbestaan, vormde de visserij vaak ook een bron van welvaart. Rivier- en strandvissers vingen snoeken, baarzen, zalmen of palingen. Zeevissers waren vooral gericht op de markt en zochten naar goede conserveringsmethoden, zodat steeds langere reizen konden worden gemaakt. De zee bracht ook andere voedingsmiddelen voort dan vis en schaaldieren: zeekraal en lamsoor, zout en zeegras. Strandjutters en bergers ontfermden zich over gestrande schepen en aangespoelde goederen en merkten bij hun werk dat de zee neemt en geeft. Zand en grint werden aanvankelijk vooral uit de rivieren gehaald, later ook uit zee, evenals schelpen voor de kalkindustrie. In de twintigste eeuw nam de winning van olie en gas uit zee een hoge vlucht. En zijn ook de windparken op zee niet als exploitatie van het water te beschouwen? Op welke manier men zijn brood ook uit het water haalt, er is kennis voor nodig die van generatie op generatie wordt overgedragen. Zeeonderzoek vormt een belangrijke bron van deze kennis en ook daarbij slaagt men erin om brood uit water te maken, al eeuwenlang.